Logo Vlaams Belang
 2006
 Gemeente- en provincieraadsverkiezingen
  PROGRAMMA
11. PROVINCIAAL BELEID

Een anachronisme hér-denken

Wanneer men Jan-met-de-pet zou bevragen over zijn provincie, bestaat er een waterkans dat hij zich de naam van zijn gouverneur kan herinneren, maar moet hij wellicht het antwoord schuldig blijven op vragen zoals wie de leden van zijn bestendige deputatie zijn en of hij namen van individuele provincieraadsleden kent. De meeste burgers kennen de provincie omwille van de provinciebelasting, maar vraag hen niet naar de provinciale instellingen of de projecten van hun provinciebestuur. Van alle politieke bestuursniveaus in ons land is de provincie de grote onbekende voor het grote publiek.

Dit hoeft ons natuurlijk niet te verwonderen. Van bij de creatie van de Belgische staat kregen de provincies een rol op de achtergrond bij de politieke en bestuurlijke besluitvorming toebedeeld en in feite is er nauwelijks iets ten goede gewijzigd. De provincies zijn zowat de enige bestuurlijke instellingen in ons land die niet of nauwelijks veranderd zijn. Sinds de invoering van de Franse departementen meer dan 200 jaar geleden, werd er nauwelijks geraakt aan de bestuurlijke indeling en werking van de provincies. Als relicten van het Franse, jacobijnse centralistische staatsdenken vormen zij in feite een levend anachronisme. Tot op de dag van vandaag belichamen zij het aftandse, weinig inspirerende ‘Belgique à papa,’ een log, monolithisch bestuursapparaat dat haaks staat op de idee van modern en adequaat besturen. Pas een kleine dertig jaar geleden gingen voor het eerst stemmen op om het provinciale bestuursniveau te hér-denken.


Een omstreden bestuursniveau

In het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen, als gevolg van de debatten over de staatshervorming, de provincies meer en meer onder vuur te liggen. Het viel hierbij op dat er, over de partijgrenzen heen, een algemene consensus bleek te bestaan om de provincies zwaar af te slanken. Ze zouden enkel nog als ‘administratieve entiteiten’ worden behouden. Na het beruchte Egmontpact (juni 1977) en de Stuyvenberg-akkoorden (februari 1978) bleek het lot van de provincies bezegeld. Er werd beslist om de provincies af te schaffen en te vervangen door ‘subgewesten.’ Deze ingrijpende plannen verdwenen echter al snel in de koelkast toen het Egmontpact werd gekelderd.

Daarmee was echter de politieke toekomst van de provincies nog lang niet veiliggesteld. De volgende aanval kwam tijdens de staatshervorming van 1980. Toen werd bepaald dat met ingang van 1982 de provincies geen eigen belastingen meer zouden mogen heffen. Dit kwam in feite neer op een financiële drooglegging van de provincies, waardoor hun toekomst plotseling zwaar gehypothekeerd werd. Deze plannen vielen echter ook in het water door onenigheid op het federale niveau.

De zwaarste aanval kwam er in 1992. In het project ‘Vlaanderen-Europa 2002’ poneerde de Vlaamse regering dat een versterking van de gemeenten de provincies overbodig zou maken. De provincies zouden enkel bepaalde bevoegdheden en middelen toegewezen krijgen, geen belastingen meer mogen heffen en een louter administratieve schakel worden tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten. Deze drastische hervormingsplannen gingen echter terug naar af door de volgende Vlaamse regering. In haar regeerakkoord van 1995 bevestigde zij immers het bestaansrecht van de provincies door ze voor te stellen als de ‘nuttige’ beleidsmotor van het intermediaire bestuursniveau. Sindsdien is in de ogen van velen de toekomst van de provincies als een volwaardig bestuursniveau veiliggesteld. Wij vinden dit in ieder geval onbegrijpelijk. Het lijkt er warempel op alsof de traditionele partijen blind blijven voor de vele gebreken van dit bestuursniveau en dat een kritische benadering van de provincies voortaan uit den boze is. Alleen het Vlaams Belang maakt een uitzondering op deze regel.


Het middenbestuur afschaffen?

Vrijwel alle partijen verdedigen momenteel dus het provinciale concept. N-VA en Spirit zijn iets minder enthousiast, maar maken zeker niet het verschil. Ze zijn immers met handen en voeten gebonden aan kartelpartners (CD&V en Sp.a) die tot de vurigste pleitbezorgers van de provincies behoren. Het Vlaams Belang stelt openlijk en als énige grote Vlaamse politieke partij het voortbestaan van de provincies als bestuursniveau in vraag. Dat betekent echter niet dat wij meteen ook het intermediaire bestuursniveau - in correct Nederlands het middenbestuur - in vraag stellen. Er zal, zelfs na de door ons gewenste ingrijpende bestuurlijke vernieuwingsoperatie in Vlaanderen, naast de versterking van de gemeentelijke bestuurskracht en het herschikken van de Vlaamse bevoegdheden, nog voor langere tijd nood zijn aan een tussenniveau. De vraag is alleen welke vorm dit zal moeten aannemen. Eén ding staat echter vast: de provincies in hun huidige vorm zijn voor ons onaanvaardbaar en moeten dus als beleids- en bestuursstructuur verdwijnen.

Dit betekent dus niet dat onze partij er voorstander van is om het middenbestuur meteen ook maar af te schaffen. Het gevaar is dan immers reëel dat een dergelijke operatie tot nog meer dirigisme vanuit het Brusselse Martelarenplein – de Vlaamse regering - én een nog grotere machtsconcentratie in handen van de gewestelijke ambtenaren zou kunnen leiden, en daar heeft niemand een boodschap aan. Het recente corruptieschandaal bij West-Vlaamse ambtenaren van stedenbouw toont immers perfect aan hoe gevaarlijk het kan zijn om bijvoorbeeld de provincies om te vormen tot een gedeconcentreerde buitendienst van de Vlaamse administratie.

Wij zijn er in elk geval voorstander van om de subsidiariteitsregels ten volle te laten spelen. Dit betekent dat een groot gedeelte van de bevoegdheden die momenteel door de provincies worden uitgeoefend naar de steden en gemeenten moeten worden overgeheveld en niet naar ‘boven,’ naar de centrale overheid. Niet alleen omdat dit - zoals dit al hiervoor werd aangehaald - het centralisme van de Vlaamse overheid en administratie in de hand zou werken, maar ook omdat men op deze manier onmogelijk een snel en passend antwoord kan formuleren op lokale beleidsvraagstukken waarmee de steden en gemeenten dagelijks geconfronteerd worden.


De nood aan een goed functionerend middenbestuur in Vlaanderen

Wie de vraag stelt naar het toekomstige profiel van het middenbestuur in Vlaanderen, stelt in feite een pak vragen tegelijkertijd. Hij stelt immers de vraag naar de toegevoegde waarde van dit bestuursniveau. Sloganesk zou men kunnen stellen: “Als we geen meerwaarde te bieden hebben, dan kunnen we maar beter meteen het middenbestuur afschaffen…” Meer constructief en realistisch zou de vraag beter geherformuleerd worden in: “Wat kan het middenbestuur doen om haar bestaansgrond en dus zichzelf te legitimeren?” De achterliggende vraag hierbij is welke de maatschappelijke en bestuurlijke opgaven zijn waarvoor het middenbestuur zich gesteld ziet. Het antwoord op de vraag naar de legitimatie hangt immers erg nauw samen met deze opgaven. Ook dient zich de vraag aan welke specifieke rol of rollen het middenbestuur daarbij kan spelen. Bovendien is er de vraag of er geen gedifferentieerde aanpak nodig is van problemen.

Als we Vlaanderen in vogelvlucht zouden overzien, dan valt het op dat de bestuurlijke uitdagingen regionaal nogal kunnen verschillen. Maatschappelijke problemen blijken zich op verschillende regionale schaalniveaus te situeren en vragen dan ook op diverse schaalniveaus om pasklare oplossingen. Sommige problemen zullen spelen om centrumsteden en omringende gemeenten, andere problemen overschrijden de regionale grenzen. Het is daarom belangrijk vast te stellen welk schaalniveau het meest geschikt is om een structurele oplossing te kunnen bieden voor deze problemen.

Het Vlaams Belang heeft in ieder geval al een voorzet aan dit debat willen geven door twee jaar geleden in het Vlaams parlement een ontwerp van een regiodecreet in te dienen. Dit ontwerp dat in feite inspeelde op de politiek/bestuurlijke schaalverkleining die op dat ogenblik door de Vlaamse regering werd ingevoerd met onder meer de creatie van de regionale sociaal-economische overlegcomités (RESOC’s) en de hieraan gekoppelde regionale samenwerkingsverbanden (ERSV), werd echter door het Vlaams parlement verworpen. De geesten zijn blijkbaar nog niet rijp voor vernieuwende politiek/bestuurlijke concepten. Wij vinden het in ieder geval erg alarmerend dat politiek Vlaanderen liever berust in een star en op termijn, dodelijk bestuurlijk conservatisme…

Een erg lastige vraag is tenslotte welke beleidskeuzes noodzakelijk zullen zijn om het middenbestuur in Vlaanderen in de uitgangspositie te brengen die het mogelijk moet maken dat het haar taken de komende jaren doelmatig en succesvol zou kunnen uitvoeren. Het is hierbij volgens ons van belang om niet louter een discussie rond de gewenste structuur te voeren. Want daardoor is het debat over de reorganisatie van het binnenlands bestuur in Vlaanderen al vaker verzand, om niet te zeggen, vastgelopen…


Hoe dan ook de gemeenten versterken

Wij beseffen maar al te goed dat het middenbestuur altijd op de derde plaats zal komen en dat het altijd een erg technische en moeilijke evenwichtsoefening zal blijven om te bepalen wat op dit bestuursniveau thuishoort en onder welke vorm. Volgens het Vlaams Belang is het van primordiaal belang om eerst aandacht te besteden aan de specifieke bevoegdheden en kwaliteiten die nodig en beschikbaar zijn om het middenbestuur naar behoren te laten functioneren.

Er zijn volgens ons in Vlaanderen drie taaksferen te onderkennen op bestuurlijk vlak: de gemeentelijke, de bovenlokale en de Vlaamse. Iedere mogelijke vorm van bovenlokale taaksfeer dient te worden gekoppeld aan een democratisch gelegitimeerd en dus rechtstreeks verkozen bestuur.

Het Vlaams Belang stelt hierbij duidelijk dat wij op de eerste plaats opteren voor een versterking van de gemeentelijke bestuurskracht. De steden en gemeenten zijn en blijven voor ons de belangrijkste bestuurlijk/politieke kern in Vlaanderen. Het bovenlokale gegeven is echter niet zomaar te verbinden met een vaste schaal. Daarom moet er een gemene deler worden gevonden. In ons bestuurlijk concept staan niet langer de provincies, maar - voorlopig - regionale streekbesturen, het dichtst bij deze gemene deler. Welke vorm deze gemene deler precies dient aan te nemen om het best te functioneren, laten wij momenteel in het midden. Eén zaak is echter duidelijk: ongeacht de vorm stellen wij duidelijk dat het middenbestuur zich interactief zal moeten gaan opstellen als een scharnierbestuur tussen het centrale en de lokale besturen.


Andere prioriteiten voor de Vlaamse kiezer

Wij beseffen echter dat de eerder theoretische discussie over de hervorming van het binnenlands bestuur in Vlaanderen de burgers koud laat. De kiezer ziet dit zeker niet als een politieke prioriteit. Er zijn wel andere katten te geselen. Denken we maar aan de veiligheidsproblematiek, werkloosheid, de dreigende tekorten in de sociale zekerheid en pensioenkassen of de immigratie… Het Vlaams Belang wil dan ook zijn tijd en energie vooral daaraan spenderen, in plaats van het provinciale struikgewas overal te gaan uitdunnen en waar nodig te verwijderen. Laten wij vooral niet vergeten het belang van de huidige provincies voldoende te relativeren. De traditionele politiek doet er alles aan om het grote publiek ervan te overtuigen dat de provincies een onmisbaar bestuursniveau zijn. Wij betwijfelen dit openlijk. Het klopt natuurlijk dat veel traditionele politici de provincies beschouwen als goed geoliede subsidiemachines en de provincieraden als lobbymachines voor de daarin zetelende burgemeesters en schepenen. Sommige bestendige deputatieleden gedragen zich ongeremd als kleine zonnekoningen die alleen maar behept zijn met een ongebreidelde profileringsdrang en het veilig stellen van hun mandaten.

Laat ons wel wezen; het bestuurlijke belang van de provincies is relatief klein. Het totale werkingsbudget van de vijf Vlaamse provincies bedraagt vandaag de dag afgerond 1 miljard euro. Dit lijkt een groot bedrag, maar dit is nog altijd minder dan bijvoorbeeld het budget van de stad Antwerpen. Er mogen dan wel ongeveer 6.500 ambtenaren bij de Vlaamse provincies werken, in de stad Antwerpen alleen zijn dat er al ruim 8.000. Enige bescheidenheid is volgens ons dan ook op zijn plaats.


Het provinciedecreet: een gemiste kans

Als gevolg van de uitvoering van de Lambermont-akkoorden is de Vlaamse overheid sinds 2002 bevoegd voor de organisatie van het binnenlands bestuur - en dus van de provincies en gemeenten - in Vlaanderen. Door deze bevoegdheidsverschuiving zou het mogelijk worden om komaf te maken met de verouderde bestuurlijke indeling en wetgeving en zo de lokale besturen, op de drempel van de 21ste eeuw, op een moderne leest schoeien. Het gevolg was dat de Vlaamse regering - na een aantal mislukte pogingen - onlangs op de proppen kwam met een Vlaams gemeente- en provinciedecreet. Wij beschouwen dit decreetgevend initiatief echter als een gemiste kans. In de eerste plaats omdat het provinciedecreet in zeven haasten, met nauwelijks of geen overleg met de provinciale instellingen en zonder een ernstige, wetenschappelijk onderbouwde visie, door het parlement moest worden gejaagd.

Zo heeft de Vlaamse regering een unieke kans laten liggen om tot een duidelijke bevoegdheidsafbakening te komen van het bestuurlijke middenveld. De belangrijkste vraag die men zich in Brussel had moeten stellen, is welke taken men nog als zinvol voor de provincies zag en of we deze voortaan ook nog daadwerkelijk door dat tussenniveau zouden laten behartigen. Maar men heeft bewust deze knoop niet willen doorhakken. Kwestie van de provinciale baronieën niet te veel voor het hoofd te willen stoten. Tevoren stond in de oude provinciewet dat de provincieraad “…alles regelt wat van provinciaal belang is.” Nu wordt deze schimmige omschrijving een beetje verfijnd in “bovenlokale taakbehartiging,” waarbij de provinciebesturen “ondersteunende taken verlenen op verzoek van andere besturen” en “initiatieven nemen met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen de besturen in een regio.” Of dit allemaal zoveel duidelijker is, durven we ten zeerste te betwijfelen. Zijn de huidige provinciale wegen nog een voorbeeld van “bovenlokale taakbehartiging?” Moet een provincie nog middelbaar en/of hoger onderwijs organiseren? Past ontwikkelingssamenwerking wel in dit plaatje? Wat ons betreft alvast niet…

Anderzijds blijft de Vlaamse overheid met decreten taken in de nek van de provincies schuiven, zonder dat die daar inspraak in hebben. Denken we maar aan de koppelsubsidies op het vlak van welzijn en cultuur. Zo moeten de provincies bibliotheken, kerkfabrieken, centra voor vrijzinnigen en nu ook nog moskeeën subsidiëren, zonder dat ze hierover hun zegje kunnen doen. Ruimtelijke structuurplannen worden in de Vlaamse dwangbuis gewrongen van enerzijds slecht gedirigeerde verstedelijking en anderzijds een bijna stiefmoederlijk aandoende behandeling van het buitengebied. Men maakt hierbij abstractie van wat de provincies het liefst zelf zouden willen…


Bestuurskwaliteit

Het staat buiten kijf dat de werklast voor de provincies de jongste jaren beduidend is toegenomen. Een vergelijking met de bestuurlijke situatie van pakweg 15 jaar geleden maakt dit meteen duidelijk. Een nuchtere analyse van de lopende beleidsopdrachten, zowel vanuit het eigen bestuursniveau als vanuit het Vlaams Gewest, leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat het takenpakket voor de provincies enorm werd uitgebreid. Uit het kerntakendebat dat een paar jaar geleden tussen de Vlaamse regering, de provincies en de gemeenten werd gevoerd, kwamen de provincies versterkt naar buiten. Dit bezorgde de Vlaamse provinciebesturen een sterke uitgangspositie om niet alleen hun eigen bestuurlijke positie veilig te stellen, maar bovendien ook nog gevoelig uit te breiden. Denken we maar aan bijvoorbeeld het provinciale luik van de Vlarem-wetgeving, de provinciale structuurplannen en Ruimtelijke Uitvoeringsplannen (PRUP’s), het ontwikkelen van milieu-educatieprojecten, het streekgericht bibliotheekbeleid en de subsidiëring van levensbeschouwelijke centra en moskeeën.

De vraag is dan ook of deze bevoegdheidsuitbreiding ook geleid heeft tot een kwalitatieve verbetering van het bestuur. Volgens ons niet. Het ontbreekt de provincies hiervoor aan de nodige armslag. En dan zwijgen we nog over het gebrek aan visie, zeker op langere termijn, bij de meeste bestendige deputaties, waarvan de leden zich hoofdzakelijk focussen op het veiligstellen van hun postje.

De grootste dupe van deze uitbreiding zijn ongetwijfeld de gewone provincieraadsleden. Ze krijgen veel meer en veel moeilijkere dossiers te verwerken, zonder dat dit gepaard gaat met extra tijd en bijkomende vorming die de raadsleden in staat moet stellen om dit ook daadwerkelijk aan te kunnen. Het Vlaams Belang pleit dan ook voor een beter statuut van de provincieraadsleden. Wij denken daarbij onder meer aan een soepelere regelgeving om politiek verlof te verkrijgen en een permanente mogelijkheid tot vorming en bijscholing. Dit is niet meer dan logisch, want alleen op deze manier kunnen de raadsleden een tegengewicht vormen voor de beroepspolitici die de bestendige deputatie vormen en voor de groeiende macht van de steeds hoger opgeleide ambtenaren.

Wordt het overigens niet hoog tijd dat er ook eens grondig wordt nagedacht over het aantal provincieraadsleden? Dat blijft immers erg hoog. Er zijn momenteel niet minder dan 411 provincieraadsleden in Vlaanderen… Ter vergelijking: Nederland met bijna het drievoudige aantal inwoners van Vlaanderen heeft vorig jaar beslist om het aantal Statenleden te reduceren van 760 tot 564…

Het provinciale democratisch deficit

Wat ons echter vooral stoort aan het nieuwe Vlaamse provinciedecreet is dat het zal leiden tot een democratisch deficit van het provinciale bestuursniveau. Een paar voorbeelden illustreren deze stelling.

  • De gouverneur blijft zowel voorzitter van de bestendige deputatie als commissaris van de Vlaamse en federale regering. Hij is dus ambtenaar en politicus tegelijk. Dit is natuurlijk voor ons onaanvaardbaar. Wij kunnen niet accepteren dat een ambtenaar - die per definitie neutraal behoort te zijn - voorzitter zou zijn van een verkozen bestuurscollege, in casu de bestendige deputatie. Sterker nog, dat hij hierover geen rekenschap dient te geven aan de kiezers. De Waalse gewestregering heeft dit alvast begrepen, want in het Waalse provinciedecreet wordt de rol van de gouverneur gereduceerd tot deze van vertegenwoordiger van de regering(-en). Vreemd genoeg volgde de Vlaamse regering deze bestuurslogica niet omdat “de tijd hiervoor nog niet rijp was…” De énige beperking die nu werd ingevoerd, is dat de gouverneur geen “financieel voordeel kan verwerven uit zijn deelname aan raden van bestuur of nadere vergaderingen van private vennootschappen of openbare instellingen.” Dit is wellicht een flinke streep door de rekening van sommige gouverneurs. Denken we bijvoorbeeld maar aan de Antwerpse provinciegouverneur Paulus die goed is voor niet minder dan 16 mandaten, waarvan er zeven bezoldigd zijn… Zou het trouwens ook niet hoog tijd worden dat er een deontologische code komt voor provinciegouverneurs?
  • De leden van de bestendige deputatie blijven zetelen in de provincieraad. In de praktijk betekent dit dat zij blijven meestemmen over hun eigen beleid. Het Vlaams Belang is voorstander van een duaal systeem waarbij de bestendige deputatie, in overeenstemming met de Vlaamse en federale regeringen, wordt losgeweekt van de respectievelijke assemblees. Ook hier zijn wij trouwens pleitbezorgers voor het invoeren van een deontologische code voor de deputatieleden. Het is toch te gek voor woorden dat deze regel - via het gemeentedecreet - wél zou worden ingevoerd voor de leden van het college van burgemeester en schepenen, maar niet voor de bestendig afgevaardigden… Dat er sowieso een behoefte aan dergelijke code bestaat, staat buiten kijf. Verschillende schandalen uit de laatste jaren bewijzen dit; denken we maar aan de Limburgse Visa-affaire of de gerechtelijke vervolging van bestendig afgevaardigde Van Santvoort in Antwerpen.
  • De Vaste Bureaus van de provincieraden zouden net als de raadscommissies evenredig moeten worden samengesteld. Dit is echter niet het geval want het provinciedecreet laat hier ruimte aan de raden om dit ‘à la tête du client’ in te vullen. Deze kwalijke bestuurspraktijk staat in schril contrast met bijvoorbeeld het Bureau van het Vlaams Parlement, waar wél rekening wordt gehouden met de verkiezingsuitslag. Deze evenredigheid is trouwens helemaal zoek wanneer het bijvoorbeeld gaat om het toekennen van afgeleide mandaten aan vertegenwoordigers van de oppositie (denken we maar in de raden van bestuur van provinciale onderwijsinstellingen, de provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, provinciale vzw’s enzovoort).
  • Het bevragingsrecht van de raadsleden wordt beperkt. Zo vervalt het vroegere wettelijk verplichte vragenuurtje bij het begin van de raadszittingen. De provincieraden kunnen voortaan in hun huishoudelijk reglement zelf bepalen wanneer en hoe deze mondelinge actualiteitsvragen kunnen gesteld worden. Bovendien vindt men in het decreet geen woord terug over de schriftelijke vragen. Ook hier is het voortaan aan de provincies om te beslissen of en onder welke vorm de raadsleden schriftelijk de deputatie kunnen bevragen. Verder blijven wij ons ergeren aan het feit dat de wetgever het vertikt heeft om het bevragingsrecht uit te breiden naar de zogenaamde ‘medebewindstaken’ (zoals de milieuvergunningen en beroepsprocedures bij bouwvergunningen) van de bestendige deputatie en naar de wijze waarop de gouverneur bijvoorbeeld zijn administratief toezicht uitoefent.
  • De zittingen van de raadscommissies zullen in de toekomst weliswaar in het openbaar verlopen, maar de kans dat er burgers naar zullen komen luisteren is erg minimaal. Er bestaat trouwens een reëel gevaar dat precies door het invoeren van zo’n openbaarheidsregel, de meerderheidspartijen en dit wellicht nog meer dan dat dit vroeger al het geval was, op voorhand alles zullen bedisselen. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld zinvolle amendementen vanuit de oppositie sneller in de prullenmand verdwijnen…
  • Elke burger krijgt voortaan het recht om bij de provincieraad verzoekschriften in te dienen over onderwerpen doe tot de bevoegdheid van de provincies behoren. Of dat tot veel reacties zal leiden, is nog maar de vraag… Laat staan dat de provinciebesturen de wettelijk vastgestelde antwoordtermijnen zouden respecteren.
  • De wetgever voorziet nu duidelijk in de mogelijkheid waarin burgers en/of belangengroepen een volksraadpleging kunnen afdwingen over een provinciaal thema. Op papier lijkt dit een mooi voorbeeld van directe democratie, maar in de praktijk lijkt dit onuitvoerbaar. Wanneer je er niet in kunt slagen om een meerderheid in de provincieraad te overtuigen van het nut van dergelijk referendum, dan heb je zomaar eventjes de handtekeningen nodig van 10% van de inwoners in de provincie. In de meeste provincies betekent dit concreet dat er meer dan 100.000 handtekeningen moeten worden opgehaald. Zeg nu zelf, wie zou voor een dergelijk titanenwerk zijn schoenzolen willen verslijten?



Een aantal actiepunten.

Het Vlaams Belang pleit voor:

  • een versterking van de gemeentelijke bestuurskracht;
  • een nieuwe vorm van middenbestuur (regiobesturen);
  • een behoorlijk provinciebeleid, volgens een betere bevoegdheidsverdeling, in afwachting van de fundamentele hervormingen die wij voorstellen;
  • een duaal systeem, waarbij bestendig afgevaardigden niet langer zetelen in de provincieraad;
  • voldoende democratie en inspraak op provinciaal vlak.



[Inhoudtafel]
© 2010 Vlaams Belang - Alle rechten voorbehouden 11.09.2010 - 01:41